Kleur

Servé Hermans

Het jongetje dat ik was, was tien jaar oud en kreeg vaak prachtige tekeningen uit gebieden die ik enkel uit de atlas kende. Of eigenlijk is dat niet helemaal waar. Ik kreeg ze uit de Lindelaan 15, van Rafika Sallou. Het enige Marokkaanse meisje in Bunde, het dorp van mijn jeugd.

Rafika was ook Nederlands – hier geboren, althans. Maar haar tekeningen verraadden een exotisme dat ik nog niet kende. Zij gebruikte neon stiften om mee te tekenen. Ik kende de neonstift enkel als een tekstmarker om belangrijke passages uit een tekst meer kracht te geven. Maar Rafika gebruikte de neon stiften om haar aan mij gerichte liefdes tekeningen kracht bij te zetten. Abstracte kleurrijke vormen die weinig houvast boden, maar wel steevast ondertekend waren met een dieprood hart met een pijl erdoor en “Rafika loves Servé” eronder. Liefdesbrieven kende ik al. Maar dit soort hondsbrutale liefdestekeningen, die Rafika gewoon in mijn jas stopte, tussen mijn schriften vouwde of gewoon in een fluoriserende enveloppe bij mij thuis in de brievenbus gooide, kende ik nog niet. Maar dankzij Rafika werden fluoriserende kleuren de kleuren van mijn jeugd.

Het is nooit iets geworden tussen mij en Rafika. Op een dag zijn die verwoede pogingen van haar gestopt. Zo hartstochtelijk als het begon, stopte het ook weer. Dat ging gepaard met een incident op het schoolplein. Ik was straalverliefd geworden op de hoogblonde dochter van de dorpsdokter, Judith Swaans. En die liefde werd min of meer beantwoord. Rafika had weer een prachtige tekening gemaakt, maar kreeg lucht van mijn vermeende verkering met Judith Swaans. “Jij wil mij niet, omdat ik een neger ben,” gilde Rafika, gevolgd door een eindeloze herhaling van de zin “Jij bent bullshit”. Buiten het feit dat Rafika het woord neger oneigenlijk gebruikte, want dat was ze helemaal niet, wist ik ook zeker dat ik niet en in niks op bullshit leek.

Het was jammer.
Maar die honger naar meer exotisme en het koesteren van de sensatie van de kleuren van Rafika’s tekeningen zou ik nooit nooit nooit verliezen.
Toch?
De wereld was dankzij Rafika ook in mij gekropen.
Toch?

Hier sta ik 27 jaar later. En…
Lieve mensen, ik verkeer in een existentiële crisis. Een crisis die zijn weerga niet kent.

Dit is de kick-off van de eerste Erlenmeyer bijeenkomst. En die mag ik openen. Eervol, dat zeker!
Een theatrale opening. Zo lees ik op het dagprogramma. Theatrale opening. En dan vang ik uiteindelijk aan achter een spreekgestoelte en met een jasje aan. Het voorspelt weinig goeds. Een spreekgestoelte is een plek voor een spreker. Niet voor een theatermaker.

Maar dit is het dan. Dit is het is het resultaat van de existentiële crisis waarin ik verkeer, beste mensen. Een existentiële crisis die begon bij de uitnodiging van deze bijeenkomst.

Na Rafika’s passage in mijn leven verdween de neon weer uit mijn leven als een blad aan een boom. Het maakte plaats voor de koperen kleur van de harmonieën, fanfares en brassbands. Voor het groen van het Limburgse land, het doffe geel van mergel en het blond van dochters van dorpsdokters. Na de kleuren van mijn jeugd kwamen er geen kleuren bij. Ze verdwenen. Mijn wereld werd wit. Ik realiseerde het me vanmorgen vroeg nog toen ik de Servaasbrug overliep. In een stad in een provincie die u ongetwijfeld, en ongetwijfeld terecht, als achterstandsgebied bestempelen zou. Wat was dit voor een stad? Wat was dit voor een omgeving, die ik in het gezicht keek toen ik vanuit Wijck het centrum in liep? Het centrum van wat we nu toch wel mijn stad mogen noemen. Een ijskoude november zon zette Maastricht in het licht. Dat zonlicht weerkaatst prachtig in het water van de Maas. Wit licht.

Ik vroeg me af...
Is deze stad eigenlijk hartelijk? Of is ze in zichzelf gekeerd en overtuigd van haar eigen gelijk? Intolerant zelfs? Want op een doordeweekse dinsdag herken ik de Maastrichtenaar ook wel eens zo. Hoe toegankelijk is dit breedgetrokken dialect? Kan een ander zich hier thuisvoelen? Ontvouwt deze stad zich ooit? Hoeveel kunnen we eigenlijk echt zien door de dikke mist van de dampende wietsigaretten die deze stad tot attractie maakt voor buitenlandse drugstoerisme? En hoeveel exotisme kan deze stad naast de drugstoeristen eigenlijk aan?
Alles wat wij anders noemen hier is eigenlijk altijd precies hetzelfde.

André Rieu speelt op het Vrijthof.
De café’s zitten vol.
Het hele jaar door werkt in de vrije uren het hele Vasteloavend vierend volk vaan Mestreech noest aan het pekske voor de carnaval.
En de Maas verdeelt, zoals altijd, hartverscheurend en ongenadig de historische binnenstad van de rest van de wereld. Een wereld waar wij ons hartstochtelijk niet toe verhouden.

Er is een Maastrichts gezegde: “…EINE VAN US….”

Een van ons zijn of worden. Dat is hier super belangrijk.
Van ons en met ons en door ons... En soms in ons. Als we daar zin in hebben.
Maar laten we dat wel toe, om iemand anders eine van us te laten worden?
De vraag stellen is ze beantwoorden.

Mijn wandeling voert me langs veel passanten: blank, hoog opgeleid en veelal oud.
Maar waar is de Italiaan, de Spanjaard en de Joegoslaaf, de Griek, de Turk, de Marokkaan, de Brabander ? Heeft de Maastrichtenaar zoals ik hem bezie nog wel iets te maken met de wereld waarin wij leven?

Mijn vragen aan de stad zijn impliciet natuurlijk vragen aan mezelf. Ben ik ook een Maastrichtenaar? Ben ik ook een Maastrichtenaar geworden? Het jongetje dat ik was, was dat zeker niet!

Al twintig jaar leef ik in een wereld zonder kleur. Een wereld van witte scholen. Witte toneelscholen, volledig bezet door gymnasiummeisjes met rode lippenstift. En een totaal roomblank werkveld. Ik speelde zélf meestal de asielzoeker in het gezelschap van Johan Simons bij NTGent, waar ik ging werken. “Jij hebt het meest exotische uiterlijk,” zei Johan dan.

De makers waren wit. De stukken waren wit, de schrijvers waren wit. En het publiek? Wit! Zo wit!

Er is geen excuus meer. 37 jaar, en alles wat ik nooit hoopte te worden of te zijn: kleurloos. Zo voel ik mij, sinds mijn existentiele crisis, sinds de Erlenmeyer uitnodiging. Een kleurloze kunstenaar lopend op dezelfde grond die voedingsbodem was voor de PVV. De grond waar Wilders op kon groeien. En wij keken en deden niks.

Dit is het dieptepunt van mijn existentiele crisis. Dames en heren, erger wordt het niet.
Vanaf nu is er enkel maar één weg: de weg omhoog, terug naar het licht.

Beste mensen,
Na een bosbrand is de grond het meest vruchtaar. Misschien moet deze stem wel een vraag formuleren. Een antwood geven. Juist een stem uit onze regio. Daar waar u het antwoord waarschijnlijk niet dacht te vinden. Of waarvan niet zou verwachten dat er een vraag uit zou komen. Ik weet ook niet of het daar ligt, een antwoord in de straten van Maastricht. Het antwoord op de vragen ‘waar is Rafika?’  en ‘waar zijn de kleuren van mijn jeugd?’.

Maar als ik het antwoord niet vind, verzin ik het. Dat kunnen kunstenaars. Ze kunnen de wereld van morgen vormgeven, door ze te verzinnenn. En als het verzonnen is, bestaat het. Kijk maar naar het geloof of Sinterklaas: het is verzonnen en het bestaat.

Ik ben theatermaker en mijn stukken zullen kleurrijker worden. Het voorzichtige begin dat ik in La Superba aanzette, zal ik doortrekken. Beloofd. Daar mag u me aan houden.
We gaan op zoek naar wat kleur in onze kunst.

En voor nu…
Tijd voor een happy end.

Rafika is getrouwd. Met een Nederlandse man. Ze heeft een kind dat zo oud is als het jongetje dat ik toen was. Ze houdt van woninginrichting, als ik haar Pinterest pagina mag geloven. Veel witte inrichtingen trouwens, weinig kleur.

De zoon van Rafika heet Mitchel. Hij zit op een school die De Zeeraket heet. Een school waar veel aandacht is voor creativiteit. Er wordt veel geschilderd, geknutseld en getekend en hij tekent in neon. Want, en wees daar maar zeker van:

Neon is de kleur.